Capaciteitentest

Capaciteitentest oefenen: voorbeeldvragen met uitleg en een gratis oefentest

Word je uitgenodigd voor een capaciteitentest? Dan krijg je bijna altijd vragen uit drie hoeken: taal, rekenen en figuren. Op deze pagina zie je per onderdeel welke vragen je kunt verwachten en hoe je ze snel oplost. Je oefent acht voorbeeldvragen met volledige uitwerking en maakt daarna een gratis oefentest: 30 vragen in 35 minuten, zonder rekenmachine, met uitleg bij elk antwoord.

Redactie PrepClubs, bijgewerkt op 22 oktober 2026

Kort antwoord

Een capaciteitentest meet hoe goed en hoe snel je denkt, los van je kennis en diploma. Hij bestaat meestal uit drie onderdelen: verbaal (analogieën, synoniemen, tegenstellingen), numeriek (cijferreeksen en rekenvragen) en abstract (figuurreeksen en matrices). Je score wordt vergeleken met een groep mensen van hetzelfde opleidingsniveau. Oefenen helpt vooral bij je tempo: wie de vraagtypes al kent, verliest geen tijd aan het lezen van de opdracht.

Vragen
30
verbaal, numeriek en abstract
Tijd
35 min
één klok voor de hele test
Onderdelen
3
elk van makkelijk naar moeilijk
Rekenmachine
Nee
alleen pen en papier
Start de gratis capaciteitentest

Je begint zonder account. Je e-mail of Google heb je pas aan het eind nodig, om je score te bewaren.

Wat is een capaciteitentest?

Een capaciteitentest is een test van je denkvermogen. Werkgevers en assessmentbureaus gebruiken hem om sollicitanten eerlijk te vergelijken: een diploma zegt iets over wat je hebt geleerd, een capaciteitentest over hoe snel je nieuwe informatie verwerkt. Je komt hem tegen bij sollicitaties op mbo-, hbo- en wo-niveau, bij traineeships en bij grote werkgevers zoals de politie en Defensie.

Je score is geen cijfer, maar een vergelijking. Hij wordt afgezet tegen een normgroep: mensen met hetzelfde opleidingsniveau die de test eerder maakten. Een score in het 70e percentiel betekent dat je beter scoorde dan 70 procent van die groep.

De drie onderdelen van een capaciteitentest: verbaal met de analogie warm staat tot koud als hoog staat tot laag, numeriek met een cijferreeks en een kortingsvraag, en abstract met een figuurmatrix met draaiende pijlen.
Verbaal, numeriek en abstract: de drie onderdelen die in bijna elke capaciteitentest terugkomen.

De onderdelen en vraagtypes

Elke testuitgever stelt zijn eigen test samen, maar de vraagtypes lijken sterk op elkaar. Deze tabel laat zien wat er per onderdeel meestal gevraagd wordt.

Onderdelen, vraagtypes en aantal vragen in de gratis oefentest
OnderdeelTypische vraagtypesIn de gratis oefentest
VerbaalWoordanalogieën, synoniemen, tegenstellingen, soms tekstbegrip10 vragen
NumeriekCijferreeksen, rekenvragen over korting, tijd, snelheid, schaal en verhoudingen12 vragen
AbstractFiguurmatrices en figuurreeksen: zoek de regel per rij8 vragen

Capaciteitentest bij de politie en Defensie

Bij de politie is de cognitieve capaciteitentest de eerste stap van de selectie voor agent. Je maakt hem online, thuis. Volgens de politie heb je daar een week (7 kalenderdagen) voor, mag je alleen pen en papier gebruiken en is een smartphone niet geschikt: gebruik een laptop of computer. Haal je de test niet, dan mag je het na drie maanden opnieuw proberen. De politie biedt zelf ook een oefentest van 20 minuten aan.

Ook Defensie gebruikt een capaciteitentest in de selectie. De precieze inhoud verschilt per functie en niveau, dus lees de informatie bij jouw vacature goed. De vraagtypes op deze pagina, verbaal, numeriek en abstract, vormen de kern van beide tests.

Deze online test meet jouw numerieke inzicht en algemeen redeneervermogen.

Tips per onderdeel

Per onderdeel één of twee vuistregels, met een voorbeeld erbij:

  • Analogieën: maak van de eerste twee woorden een korte zin. "Een arts werkt in een ziekenhuis." Pas die zin daarna toe op het derde woord: een docent werkt op een school.
  • Synoniemen en tegenstellingen: let op de woordsoort. Bij een werkwoord hoort een werkwoord, bij een bijvoeglijk naamwoord een bijvoeglijk naamwoord. Dat schrapt vaak al twee opties.
  • Cijferreeksen: schrijf de verschillen tussen de getallen op. Lees voor de patronen en het stappenplan onze pagina over cijferreeksen oefenen.
  • Rekenvragen: reken via 10 procent of via 1 eenheid. 30 procent korting op 220 euro is 3 × 22 = 66 euro, dus je betaalt 154 euro.
  • Figuurmatrices: kijk naar één eigenschap tegelijk. Eerst de vorm, dan het aantal, dan de draaiing, dan de kleur. Schrap per regel de opties die niet kloppen.
  • Tempo: blijf niet langer dan een minuut op één vraag hangen. Kies het beste antwoord, onthoud het nummer en kom terug als je tijd overhoudt.

Wat als je de capaciteitentest niet haalt?

Dan stopt de procedure voor die vacature meestal. Vraag altijd om je resultaten per onderdeel: dan weet je of het aan taal, rekenen of figuren lag. Bij de politie mag je na drie maanden opnieuw meedoen. Andere werkgevers hebben eigen regels, en bij een andere werkgever begin je vaak gewoon met een nieuwe test.

Gebruik de tijd tot een nieuwe poging om gericht op je zwakste onderdeel te oefenen. Juist daar valt met een paar weken oefenen de meeste winst te halen.

Start de gratis capaciteitentest

Je begint zonder account. Je e-mail of Google heb je pas aan het eind nodig, om je score te bewaren.

Acht voorbeeldvragen uit een capaciteitentest

Drie verbale, drie numerieke en twee abstracte vragen. De vragen zijn gebaseerd op onze volledige oefentests en de twee figuurmatrices komen er rechtstreeks uit. Los elke vraag eerst zelf op.

Voorbeeld 1: Verbaal: analogie
Welk woord past op de plaats van het vraagteken? Bakker staat tot bakkerij als kapper staat tot ?
  • A.schaar
  • B.kapsalon
  • C.haar
  • D.klant
  • E.winkelstraat
Antwoord en uitleg
B. Maak er een zin van: een bakker werkt in een bakkerij. Dan werkt een kapper in een kapsalon, antwoord B. Schaar, haar en klant horen wel bij de kapper, maar het gaat hier om de plek waar hij werkt. Winkelstraat is wel een plek, maar te algemeen.
Voorbeeld 2: Verbaal: tegenstelling
Welk woord betekent het tegenovergestelde van schaars?
  • A.zeldzaam
  • B.overvloedig
  • C.duur
  • D.klein
  • E.kostbaar
Antwoord en uitleg
B. Schaars betekent dat er weinig van iets is. Het tegenovergestelde is overvloedig: er is meer dan genoeg, antwoord B. Zeldzaam is juist een synoniem van schaars, en dat is precies de valkuil in dit soort vragen.
Voorbeeld 3: Verbaal: synoniem
Welk woord betekent ongeveer hetzelfde als beknopt?
  • A.kort
  • B.beleefd
  • C.bekend
  • D.moeilijk
  • E.voorzichtig
Antwoord en uitleg
A. Een beknopt verslag is kort en bondig, dus het antwoord is kort, A. Bekend en beleefd lijken in klank op beknopt, maar betekenen iets heel anders. Let bij synoniemen altijd op de betekenis, niet op hoe het woord klinkt.
Voorbeeld 4: Numeriek: korting
Een jas kost 160 euro. In de uitverkoop krijg je 35% korting. Hoeveel betaal je?
  • A.56 euro
  • B.96 euro
  • C.104 euro
  • D.112 euro
  • E.125 euro
Antwoord en uitleg
C. Reken via 10 procent: 10% van 160 is 16, dus 30% is 48 en 5% is 8. Samen is 35% korting 56 euro. Je betaalt 160 - 56 = 104 euro, antwoord C. Antwoord A (56 euro) is de korting zelf: lees altijd goed wat er gevraagd wordt.
Voorbeeld 5: Numeriek: werk en tijd
6 schilders hebben samen 5 dagen nodig om een huis te schilderen. Ze werken allemaal even snel. Hoeveel dagen hebben 3 schilders daarvoor nodig?
  • A.2,5 dagen
  • B.8 dagen
  • C.10 dagen
  • D.12 dagen
  • E.15 dagen
Antwoord en uitleg
C. Reken het totale werk uit: 6 schilders × 5 dagen = 30 werkdagen. Met 3 schilders duurt dat 30 : 3 = 10 dagen, antwoord C. Antwoord A (2,5 dagen) is de valkuil: met minder schilders duurt het juist langer, niet korter.
Voorbeeld 6: Numeriek: schaal
Op een kaart met schaal 1 : 50.000 is een wandelroute 7 cm lang. Hoe lang is de route in werkelijkheid?
  • A.0,35 km
  • B.3,5 km
  • C.7 km
  • D.35 km
  • E.350 km
Antwoord en uitleg
B. 1 cm op de kaart is 50.000 cm in werkelijkheid. Dat is 500 meter, oftewel 0,5 km. Een route van 7 cm is dus 7 × 0,5 = 3,5 km, antwoord B. De andere antwoorden ontstaan als je een nul te veel of te weinig meeneemt bij het omrekenen van centimeters naar kilometers.
Voorbeeld 7: Abstract: draaiende pijl
Welk antwoord maakt de matrix compleet?
Matrix van 3 bij 3 vakjes met een pijl die per vakje verder draait, het laatste vakje leeg en acht antwoorden van A tot H
  • A.A
  • B.B
  • C.C
  • D.D
  • E.E
  • F.F
  • G.G
  • H.H
Antwoord en uitleg
A. Volg de pijl per rij van links naar rechts. In elke rij draait hij per vakje 45 graden met de klok mee. Draai de pijl uit het middelste vakje van de onderste rij dus nog 45 graden verder. Alleen antwoord A staat in die stand. De andere opties staan een stap te ver, een stap te kort of draaien de verkeerde kant op.
Voorbeeld 8: Abstract: tellen en vormen
Welk antwoord maakt de matrix compleet?
Figuurmatrix met in elk vakje een groepje symbolen, rechtsonder een leeg vakje, met daaronder de antwoorden A tot en met H
  • A.A
  • B.B
  • C.C
  • D.D
  • E.E
  • F.F
  • G.G
  • H.H
Antwoord en uitleg
B. Hier gelden twee regels tegelijk. Ten eerste is het aantal symbolen in het derde vakje van elke rij het aantal in het eerste vakje min het aantal in het tweede. Ten tweede komen in elke rij dezelfde drie symboolvormen voor, elke keer in een andere volgorde. Het lege vakje heeft dus het juiste aantal nodig en de vorm die in die rij nog ontbreekt. Alleen antwoord B klopt met allebei.
Start de gratis capaciteitentest

Je begint zonder account. Je e-mail of Google heb je pas aan het eind nodig, om je score te bewaren.

Veelgestelde vragen

Maak een complete capaciteitentest met de klok erbij

30 vragen in 35 minuten: verbaal, numeriek en abstract, met uitleg bij elk antwoord. Je begint zonder account.

Start de gratis capaciteitentest